De gezagsverhouding: wanneer een zzp’er feitelijk een werknemer is

Nederland telt inmiddels ruim een miljoen zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Bij zzp’ers is het uitgangspunt dat zij op basis van een overeenkomst van opdracht – en niet op basis van een arbeidsovereenkomst – werken voor hun klanten c.q. opdrachtgevers. Voor zzp’ers gelden enkele fiscale voordelen en aftrekposten die niet voor werknemers gelden. Aan de andere kant brengt het werken als zzp’er de nodige risico’s met zich. Veel zzp’ers zijn bijvoorbeeld niet verzekerd voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Ook komt een zzp’er geen ontslagbescherming toe. In de praktijk komt het geregeld voor dat een zzp’er formeel gezien weliswaar op basis van een overeenkomst van opdracht werkt, maar dat feitelijk gezien sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dit soort gevallen is het altijd de vraag of de onderlinge verhouding tussen de zzp’er en zijn opdrachtgever alsnog moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst en/of fiscale dienstbetrekking. Daarbij wordt altijd gekeken naar de vraag of al dan niet sprake is van een gezagsverhouding tussen partijen. Maar wanneer is nu sprake van een gezagsverhouding - en in de lijn daarvan: van een arbeidsovereenkomst? Gaat het alleen om de mate waarin een opdrachtgever werkinstructies kan geven, of zijn er ook nog andere elementen van belang (en zo ja, welke)? En wat is het belang van de in november 2020 door de Hoge Raad gedane uitspraak, waarin de Hoge Raad heeft bevestigd dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst gekeken moet worden naar de feitelijke situatie en niet naar de bedoeling van partijen om al dan niet een arbeidsovereenkomst te sluiten?

Door |2021-03-27T15:13:53+01:00februari 16th, 2021|Arbeidsovereenkomst, Gezagsverhouding, Schijnzelfstandigheid, Wet DBA, ZZP|Reacties uitgeschakeld voor De gezagsverhouding: wanneer een zzp’er feitelijk een werknemer is

Geen gezagsverhouding, geen arbeidsovereenkomst

Deze praktijkcase gaat over een promovenda die naast haar promotieonderzoek ook studenten begeleidt bij het schrijven van hun scriptie. Deze scriptiebegeleiding verzorgt zij voor een ander opleidingsinstituut. De promovenda wordt arbeidsongeschikt wegens ziekte. De vraag is nu of het opleidingsinstituut verplicht is het loon door te betalen. Het opleidingsinstituut meent van niet omdat geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht. De discussie gaat over de vraag of tussen de promovenda en het opleidingsinstituut sprake is van een gezagsverhouding – één van de elementen van een arbeidsovereenkomst. In deze blog bespreek ik deze praktijkcase en licht ik toe aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van een gezagsverhouding.

Door |2019-02-25T17:23:06+01:00oktober 2nd, 2017|Arbeidsovereenkomst, Gezagsverhouding|Reacties uitgeschakeld voor Geen gezagsverhouding, geen arbeidsovereenkomst
Ga naar de bovenkant