Geen transitievergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen werknemer

Wordt een werknemer ontslagen vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten – de werknemer heeft bijvoorbeeld een greep uit de kas gedaan – dan is de werkgever in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer. Een werknemer kan in zo’n geval alleen in bijzondere omstandigheden toch nog in aanmerking komen voor een transitievergoeding (of een deel daarvan). Daarvoor moet de ontslagen werknemer kunnen aantonen dat het niet toekennen van een transitievergoeding ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is’. Hoe werkt dit in de praktijk? Wanneer handelt een werknemer nu eigenlijk ernstig verwijtbaar? Welke omstandigheden zijn daarvoor relevant, en welke niet? Kijkt een rechter bijvoorbeeld alleen naar het gedrag van de werknemer dat heeft geresulteerd in het ontslag (bijvoorbeeld diefstal of fraude op het werk, zonder gegronde reden herhaaldelijk niet op het werk komen, agressief en intimiderend gedrag, etc.). Of wordt ook gekeken naar andere omstandigheden? Bijvoorbeeld het feit dat de werknemer verder wel een goede staat van dienst heeft gehad had en – los van het verwijtbare gedrag – altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd?